“Ik ben stom.” Wat doe je als je kind zo over zichzelf praat?
Wat als mijn kind slecht over zichzelf praat?
“Ik ben stom.” Ik keek hem aan en dacht even: huh? Niet omdat ik verbaasd was dat hij dit zei. Kinderen zeggen soms de gekste dingen. Maar omdat ik me ineens realiseerde hoe groot zo’n klein zinnetje eigenlijk is.
Mijn kind vindt zichzelf stom. En wat doe je dan als moeder? “Maar nee joh! Je bent helemaal niet stom!”
Dat is waarschijnlijk het eerste wat we allemaal zeggen, ik in ieder geval wel.
Want je wilt het meteen rechtzetten. Je wilt dat je kind zichzelf ziet zoals jij hem ziet. Lief. Grappig. Slim. Bijzonder. Gewoon precies goed zoals hij is. Maar steeds vaker denk ik dat we niet altijd zo snel hoeven te zeggen dat iets niet waar is.
“Ik ben stom” gaat vaak helemaal niet over stom zijn
Misschien is er net iets mislukt, een tekening die niet lukte, een spelletje dat verloren werd, een vriendje dat niet wilde spelen, een foutje op school. Of misschien heeft iemand iets gezegd wat harder binnenkwam dan je kind laat merken.
En dan komt die zin. “Ik ben stom.” Terwijl je kind eigenlijk misschien zegt:
“Ik baal van mezelf.”
“Ik voel me niet goed genoeg.”
“Ik weet even niet hoe ik dit moet oplossen.”
“Ik ben bang dat anderen mij niet leuk vinden.”
En als je dat bedenkt, verandert zo’n zinnetje ineens, dan hoef je het misschien niet meteen tegen te spreken. Dan kun je eerst luisteren.
“Waarom denk je dat?”
Dat is misschien wel een van de simpelste vragen die je kunt stellen. Niet op een boze of geschrokken manier, maar gewoon:
“Waarom denk je dat?”
En misschien komt er dan iets uit waarvan je helemaal niet wist dat het speelde.
Dat je kind zich dom voelt omdat het lezen moeilijk vindt. Dat het denkt dat niemand hem leuk vindt omdat hij vandaag niet mee mocht spelen. Dat het zichzelf lelijk vindt omdat iemand daar iets over heeft gezegd. En ineens gaat het gesprek helemaal niet meer over dat ene woord, het gaat over wat eronder zit.
En natuurlijk wil ik het dan nog steeds oplossen!
Ik ben ook maar een moeder... Als mijn kind verdrietig is, wil ik het liefst zeggen: “Kom hier. Je bent fantastisch. Trek je er niks van aan.”
Klaar. Probleem opgelost. Maar zo werkt het natuurlijk niet.
Je kunt niet voorkomen dat je kind zichzelf soms stom vindt, je kunt ook niet voorkomen dat iemand iets gemeens zegt, of dat je kind fouten maakt of zichzelf gaat vergelijken met anderen. Wat je wél kunt doen, is ervoor zorgen dat je kind steeds opnieuw een andere boodschap hoort.
Je hoeft niet perfect te zijn.
Een fout maken, maakt jou niet fout.
Iets nog niet kunnen betekent niet dat je het nooit kunt.
Je hoeft niet op iemand anders te lijken.
Je mag gewoon jezelf zijn.
Dat zijn de woorden die ik mijn kinderen graag meegeef. Ze zullen heus wel een keer onzeker zijn of er zal iets tegenzitten.
Want wat als wij hun innerlijke stem worden?
Daar geloof ik heel sterk in, dat de manier waarop wij met onze kinderen praten, op den duur een stukje van de manier wordt waarop ze met zichzelf gaan praten. Als ze vaak horen:
“Doe niet zo moeilijk.”
“Je kunt dit toch wel.”
“Niet huilen.”
“Je overdrijft.”
dan kunnen dat later zomaar de zinnen worden die ze tegen zichzelf zeggen.
Maar het omgekeerde is ook waar.
“Je mag het moeilijk vinden.”
“Ik geloof in jou.”
“Je hoeft het niet meteen te kunnen.”
“Je mag fouten maken.”
“Wat fijn dat jij jij bent.”
Ook die woorden blijven hangen, misschien zelfs langer dan we denken.
En daarom geloof ik zo in affirmaties.
Niet omdat een kaartje met “Ik ben geweldig” ineens alle onzekerheid van een kind wegneemt, zo simpel is het helaas niet.
Maar woorden hebben kracht, zeker als je ze steeds opnieuw hoort. Een kind dat iedere dag kleine boodschappen krijgt over wie het is en wat het mag voelen, neemt die woorden mee. Overal waar het heen gaat kan het terug vallen op die positieve gedachten en gevoelens over zichzelf.
En misschien hoor je dan op een dag ineens je eigen woorden terug, uit de mond van je kind.
“Ik kan het nog niet.”
In plaats van: “Ik kan het niet.”
“Ik heb een fout gemaakt.”
In plaats van: “Ik ben stom.”
“Ik ben verdrietig, maar dat mag.”
En dan denk ik:
JA. Dit is precies waarom die kleine momenten zo belangrijk zijn.
Je hoeft het niet perfect te doen
Misschien zeg je soms toch: “Doe niet zo gek, je bent helemaal niet stom.”
Ik ook, we zijn mensen. We reageren soms sneller dan we eigenlijk zouden willen. Daar hoef je jezelf ook niet voor af te rekenen.
Je kunt het de volgende keer gewoon anders proberen. Want zelfvertrouwen ontstaat niet door één groot gesprek, het ontstaat langzaam. In de manier waarop we luisteren, hoe we reageren op fouten, in die ene knuffel, in het gesprekje voor het slapengaan, in een klein kaartje op tafel. In steeds opnieuw die boodschap:
Jij bent goed zoals je bent.
En misschien is dat wel het mooiste wat we onze kinderen kunnen meegeven, dat ze niet ALTIJD alleen maar goed over zichzelf moeten denken. Maar dat ze, ook op de dagen waarop dat even niet lukt, diep vanbinnen weten:
Ik ben nog steeds goed.
Liefs,
Lonneke





